Ga direct naar inhoud

Wedstrijdreglement van de Zeeuwse Ringrijders Vereniging
Meest recent vastgesteld in de Ledenraadsvergadering op 17-2-2012

Doel

Artikel 1

Dit reglement heeft ten doel eenheid te brengen in uitvoering en gedrag bij wedstrijden, demonstraties en andere activiteiten welke uitgaan van de ZRV en/of in samenwerking met anderen.

Baan

Artikel 2

a. Op alle wedstrijden dient de baan dezelfde afmetingen te hebben, te weten een lengte van 36 meter, een bovenbreedte van 1,65 meter en een baanbreedte van 1 meter, de verticale hoogte bedraagt 1,2 meter.

De onderlinge afstand tussen de palen van de baan bedraagt 3 of 4 meter.

In het midden van de lengterichting staan de palen waaraan de ring hangt. Deze staan in dezelfde lijn, doch zijn niet verbonden door een touw met de andere palen van de baan.

De afstand tussen onderkant bus en de vaste bodem van de ringbaan bedraagt 2,20 meter.

De normale ring heeft een doorsnee van 38 mm.

b. De boxen dienen ruim genoeg te zijn voor het aantal paarden dat in die baan loopt. Indien de ruimte het toelaat moeten er aan beiden einden 2 palen meer staan, om een brede ingang naar de baan te maken.

c. De baan wordt zonodig om de 5 beurten aangevuld / opgeschept of zo dikwijls als de wedstrijdleiding dit nodig acht.

Sjezen

Artikel 3

a. Onder een sjees wordt verstaan een tweewielig rijtuig.

b. Het tuig en de sjees dienen in een deugdelijke toestand te zijn en wordt voor aanvang van de wedstrijd door, of namens de wedstrijdleiding gekeurd.

c. De wedstrijdleiding kan bij een te verwachten onbetrouwbaarheid van het paard, sjees en/of tuig de deelnemer uitsluiten van verdere deelname aan de wedstrijd.

d. De afstand van de onderkant bus en de baan bedraagt 2,10 meter.

e. De deelnemer dient zijn paard in een vlotte draf onder de ring door te laten gaan.

f. Het is bij het sjezenrijden niet toegestaan om bij het galopperen van het paard de lans achter over te houden en terug te gaan.

g. De minimale leeftijd voor de sjezenrijder (ster): De menner mag meedoen in het jaar dat hij 16 wordt, de sjezenrijdster in het jaar dat ze 12 jaar wordt.

Deelnemers

Artikel 4

a. De deelnemer dient kapabel te zijn om zijn paard te berijden en moet in het jaar dat hij aan de wedstrijd deelneemt de minimumleeftijd van 12 jaar bereiken.

De deelnemers aan de jongerenwedstrijd moeten minimaal één ringrijwedstrijd hebben gereden voordat men mag deelnemen aan deze wedstrijd. De verantwoording voor de controle daarvan ligt bij de afdelingen.

b. Iedere deelnemer is verplicht een kwartier voor aanvang aanwezig te zijn met paard en indien dit beslagen is, voorzien van goed hoefbeslag.

Het paard waarmee een deelnemer aan een wedstrijd deelneemt dient de basisenting (2 vaccinaties die tussen de 21 en 92 dagen gegeven moet worden) influenza gehad te hebben en zal hierop volgend (binnen het jaar) de herhalingsenting influenza gehad moeten hebben.Van gedane inentingen kan een kopie worden verstrekt aan het bestuur, zodat deze gegevens kunnen worden opgeslagen in het 'inentingsbestand'. Elk paard wordt in dit bestand aangeduid met een code. De deelnemer aan een wedstrijd geeft vooraf door aan het bestuur, onder vermelding van de code, met welk paard hij/zij deelneemt. Wordt niet tijdig een code van het deelnemende paard doorgegeven of neemt de deelnemer mee met een paard wat niet in het bestand is opgenomen, dan zal hij/zij het paspoort met daarin de inentingsgegevens van het betreffende paard voorafgaand aan de wedstrijd aan de wedstrijdleiding moeten tonen.

Kan de deelnemer geen pas tonen dan wordt de deelnemer van deelname aan de wedstrijd uitgesloten (zonder recht om reeds verreden beurten in te halen) tot de benodigde gegevens zijn getoond aan de wedstrijdleiding. Is hieraan voor afloop van de 5e beurt van de wedstrijd nog niet voldaan, dan wordt de deelnemer niet meer tot de wedstrijd toegelaten.

Trekpaarden welke deelnemen aan demonstraties en een trekpaard met een gecoupeerde staart, dat is geboren na 01-09-2001, en mee wil doen aan wedstrijden van de ZRV moeten opgenomen worden in het ZRV-inentingsbestand.

c. Iedere deelnemer dient de voorgeschreven kleding te dragen, te weten een volledig wit ZRV-kostuum, bestaande uit wit ZRV- shirt of polo, witte lange broek, witte sokken en witte schoenen.

Indien het een wedstrijd of demonstratie in Zeeuwse klederdracht betreft dient iedere deelnemer een 'Zeeuws klederdracht kostuum' te dragen, met zwarte sokken en zwarte schoenen.

Iedere deelnemer is verplicht de ZRV sjerp te dragen over zijn kostuum over de rechterschouder.

d. Indien een deelnemer te laat is, gaat zijn beurt voorbij, doch als het buiten zijn schuld is, mag de deelnemer deze beurten inhalen op een tijdstip wat door de wedstrijdleiding wordt vastgesteld.

De mogelijkheid beurten in te halen vervalt indien een deelnemer niet binnen 1½ uur na het aanvangstijdstip van een wedstrijd of demonstratie 'rijklaar' aanwezig is.

Een deelnemer die meer van 1½ uur na het aanvangstijdstip van een wedstrijd of demonstratie 'rijklaar' aanwezig is, wordt van deelneming aan deze wedstrijd of demonstratie uitgesloten.

f. Voor aanvang van de wedstrijd mag iedere deelnemer oefenen, doch niet met lans en niet op de ring.

g. Iedere deelnemer dient op zijn paard klaar te zitten om de lans van zijn voorganger over te nemen.

h. De ring dient met achterovergehouden langs aan de ringoppasser afgegeven te worden.

i. Als een rijder bijtijds ziet dat zijn paard niet galoppeert en hij houdt zijn lans vóór de ring achterover, mag hij ten hoogste twee maal terug. In deze situatie mag de ring goed gehangen worden maar de bus blijft op de plaats waar die hangt.

Indien een paard wel galoppeert onder de ring mag de deelnemer - ook wanneer hij de lans achterover houdt - niet terug.

j. Alleen het gebruik van dopsporen met een doorsnede van 10 mm is toegestaan mits deze op de juiste manier worden gebruikt. Alleen het gebruik van een originele, niet verlengde rijzweep van maximaal 70 cm lang is toegestaan.

k. Indien aan een wedstrijd een optocht is verbonden, is elke deelnemer verplicht hieraan mee te doen. Ontheffing kan alleen verleend worden door de wedstrijdleiding.

l. Onbehoorlijke taal en drankmisbruik is verboden.

m.Indien één en ander niet wordt nageleefd, kan een deelnemer aan de wedstrijd door de wedstrijdleiding uitgesloten worden.

n. Aansprakelijkheid ruiter/menner en vereniging:

  1. Deelname aan de wedstrijd is voor eigen rekening en risico van de ruiter/menner.
  2. Deelname aan wedstrijden mag alleen als de ruiter/menner deugdelijk is verzekerd m.b.t. aansprakelijkheid, door bijvoorbeeld een WA-verzekering. Dit geldt ook voor de eigenaar van het paard van de ruiter/menner, als de ruiter niet op/met zijn/haar eigen paard rijdt.
  3. Het bestuur van de vereniging is niet aansprakelijk voor welke schade, hoe dan ook ontstaan, aan derden.
  4. Het staat een ruiter vrij zichzelf deugdelijk beschermen tegen letsel door het nemen van door hem noodzakelijk geachte beschermingsmaatregelen, zoals het dragen van hoofdbescherming (een cap). De bescherming moet wel wit zijn of onder de witte ZRV kleding gedragen worden.
  5. Een ongeval met een paard kan schade aanrichten aan de ruiter/menner of personen die in de buurt staan (vrijwilligers/toeschouwers). Het paard is nooit aansprakelijk, maar dat is de eigenaar. Als dit de ruiter/menner is dan is deze dus aansprakelijk voor schade/letsel veroorzaakt door het paard.
  6. Als de ruiter/menner niet de eigenaar is, dan betekent het niet dat deze vrij is van aansprakelijkheid, door het berijden van een paard, aanvaard de ruiter/menner ook de bijbehorende risico’s.

Kampen

Artikel 5

a. Bij gelijk aantal ringen voor ereprijzen zal gekampt worden. Bij gewone prijzen kan de volgorde bij loting worden vastgesteld.

b. De wedstrijdleiding is gerechtigd het verloop van de kamp te bepalen, echter met inachtneming van het bepaalde in lid e.

c. De volgorde van het uitkampen van de ereprijzen wordt bepaald door de wedstrijdleiding.

d. De kanshebbers die bij een kamp uit vallen, gaan bij het vervolg van de kamp verder in de ringgrootte waarin ze zijn uitgevallen.

e. De kanshebbers die tijdens de kamp hebben ingestoken vervolgen de kamp altijd op de eerstvolgende kleinere ring.

Indeling Klassewedstrijden

Artikel 6

a. Er bestaan 5 klassen, te weten een ere-, een eerste-, een tweede-, een derde- en een vierde klasse

b. De ere-, eerste-, tweede- en derdeklas bestaan uit 13 drietallen.

c. De vierdeklas is een zogenaamde promotieklas, waarin beginnende drietallen uitkomen en door promotie een hogere klas kunnen bereiken. Ze is echter ook vrij voor individuele rijders, die niet in de ere-, eerste-, tweede- of derdeklas hebben gereden.

d. Bij voorkeur zullen alle klassen apart verreden worden, doch zo nodig kan dit gecombineerd.

Prijzen

Artikel 7

a. de ere-, eerste-, tweede-, en derdeklas kennen alleen ereprijzen voor de drietallen en de persoonlijk kampioen en reservekampioen

b. In de vierde klas zijn er ereprijzen voor het kampioensdrietal, het reservekampioensdrietal, de persoonlijk kampioen en de persoonlijk reserve-kampioen.

Promotie en degradatie

Artikel 8

a. Van de ereklas zullen elk jaar de laagste 2 drietallen degraderen

b. Van de eerste-, tweede- en derdeklas zullen elk jaar de eerste 2 drietallen promoveren en de laagste 2 drietallen degraderen.

c. Van de vierdeklas zullen elk jaar de 2 hoogste drietallen promoveren.

d. Het voornoemde promotie- en degradatiesysteem zal ongeacht het behaalde resultaat plaats vinden, d.w.z. mocht het degraderende drietal meer ringen hebben dan het promoverende drietal, dan zal deze regel toch van toepassing zijn.

Opschuiven en invallen

Artikel 9

a. Mocht om één of andere reden een drietal niet op de wedstrijd verschijnen, dan zal dit degradatie tot gevolg hebben voor het niet verschenen drietal.

b. Indien het bepaalde in lid a zich voor doet zal de betreffende klasse dat jaar worden verreden met 12 drietallen en zal tezamen met het niet verschenen drietal alleen de nummer 12 van de einduitslag degraderen.

Samenstelling drietallen

Artikel 10

a. De samenstelling van de drietallen wordt in principe overgelaten aan de afdelingen, met dien verstande dat de volgorde bepaald wordt door de rijders met de hoogste prestaties

b. Ter controle dient echter ieder jaar aan de secretaris van de ZRV een lijst ingeleverd te worden met de resultaten van elke klasserijder.

c. Hierin wordt vermeld over hoeveel jaar er wordt geteld en hoe de volgorde is vastgesteld. De prestaties van de rijders dient eveneens uitgedrukt te worden in procenten van het aantal gestoken ringen t.o.v. het aantal verreden beurten.

d. Deze lijst wordt tegelijkertijd met de ledenlijsten aan de secretaris ter hand gesteld

e. Voor een lid dat moet invallen na de 15e beurt geldt dit als een invalbeurt, zodat het betreffende lid wel aan de wedstrijd kan deelnemen waarvoor hij in eerste instantie was opgegeven. Als de eerste of een opvolgende reserverijder niet in kan vallen, mag/mogen deze wel zijn/haar/hun 'eigen' klassewedstrijd rijden waarvoor deze reserverijder(s) oorspronkelijk was/waren opgegeven.

Een reserverijder die invalt vóór of in de 15e beurt mag geen andere klassewedstrijd meer rijden

Artikel 11

a. Onder medewerkers worden verstaan diegenen die daadwerkelijk meewerken aan de organisatie van de wedstrijden e.d., zoals baancommissarissen, ringoppassers en schrijvers.

b. Baancommissarissen hebben tot taak assistentie te verlenen aan de wedstrijdleiding en het houden van toezicht op een goed verloop van de wedstrijden.

c. Ze kunnen zo nodig als schrijver worden ingezet.

d. Schrijvers noteren de resultaten van de deelnemers en helpen deze uit te werken.

e. Ringoppassers hebben tot taak de baan uit te zetten, in orde te houden en de ring te hangen op aanwijzingen van de deelnemer.

f. Ringoppassers die rouleren, dienen dit een volledige beurt of een veelvoud daarvan te doen.

g. Ringoppassers en schrijvers hebben een adviserende taak, doch geen beslissingsrecht.

h. Medewerkers, die door het bestuur zijn aangewezen als baancommissaris, hebben voor de hun toegewezen baan beslissingsrecht aangaande de technische zaken..

Slotbepalingen

Artikel 12

a. Ieder lid dient de inhoud en strekking van dit reglement te kennen

b. In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslist het bestuur.